Mon Cherie (Dag Esmee)
maandag 19 januari 2009Ergens in de meest prille zomerdagen van vorig jaar kruisten onze ogen elkaars wegen voor het eerst. Om de hoek van de cornflakes zag ik haar tobben over een der grotere keuzes in het leven: wit, bruin of meergranen. Haar zwoele blik verleidde mij die donderdagmiddag in haar richting. Daar bij de broodafdeling, met stip het meest romantische hoekje van onze supermarkt, bekeken we elkaar zwijgzaam van top tot teen.
Sindsdien kom ik haar regelmatig tegen. Binnen een paar maanden is er een chemie tussen ons ontstaan, die alsmaar groter is geworden. En nog maar één keer tot nu toe heb ik – angsthaast dat ik ben – de stoute schoenen durven aantrekken. Tijdens de vrijdagmiddagspits wees ik haar op de snellere kassa van Priscilla, links nummer drie. Met een oogverblindende lach bedankte ze me. Het deed me meer dan honderdduizend woorden.
Dat was maar goed ook. Ze spreekt namelijk niet al te best Nederlands; haar accent doet meer denken aan een ver Oost Europees land. Een Slavische schoonheid wellicht, ver van haar familie geïsoleerd. Of misschien een Zigeunermeisje. Zou ze hier soms studeren?
We hebben precies hetzelfde ritme. Elke middag zo rond een uurtje of twee, als ik uit m’n bed kom, en zij weet ik veel waar vandaan zien we elkaar. Soms stel ik m’n bezoekje aan de supermarkt expres even uit, als ik te vroeg wakker ben. Gewoon om de kans dat ik haar tegen kom te vergroten. Mijn boodschappen zijn een secundaire drijfveer geworden voor een bezoekje aan de supermarkt. Voldaan is het pas als ik haar weer gezien heb.
Tot vandaag. Geen dag zal meer hetzelfde zijn. Ik zal op zoek moeten naar nieuwe liefde, en erger nog: een andere supermarkt.
Terwijl ik m’n winkelmandje nog aan het uitzoeken ben passeert ze me van rechts. Haar uitdagende blik lonkt m’n hoofd mee met de richting van haar charmante looppas. Links de bocht om bij de uitgang. Ik staar nog even na terwijl ze de straat oversteekt. Had ik dat maar niet gedaan.
Achter het kruispunt voor onze supermarkt schuilt het meest onzedelijke hoekje van de stad. Een onguur rijtje met kroegen waar oude havenmannetjes zich beschenken en sleeën van dubieuze auto’s met geblindeerde ramen flaneren. Boven de entreepoort van het barretje op de hoek van de straat schreeuwt een fel rood neonlicht om aandacht: Mon Cherie. Gedesillusioneerd schud ik m’n hoofd terwijl ze de gespierde uitsmijter groet en naar binnen stapt. Ik wend m’n hoofd een andere kant op en verzucht: waarom ben je toch dit wat je bent?