2009

De vraag

vrijdag 11 december 2009

Opeens stond hij naast me: “Wil je even met me meekomen?” Hij trok er een ernstig gezicht bij. Op de een of andere manier verbaasde ik me daar niet over. Wel dat hij helemaal naar mijn werkplek was komen lopen. Maar ik knikte instemmend en kwam overeind uit m’n stoel.

Met mijn kin tegen de grond genageld liep ik achter hem aan over de grote werkvloer. Ik kende mijn chef nog niet zo lang. Twijfels had ik al langer, maar dit had ik zeker nog niet zien aankomen. De rillingen gierden door m’n lijf. Als een twaalfjarig schooljochie die voor ‘t eerst naar de schooldirecteur moest komen slofte ik m’n voeten langzaam over de grond.

We waren beide zwijgzaam. Misschien kwam het door het tijdstip. Of misschien ook niet. IJskoud was het in ieder geval, die tocht naar de overkant. Zo anders dan onze geanimeerde gesprekken van de laatste paar keer. Lang geleden was dat alweer, trouwens.

Angstvallig het ijs te breken ging ik me bedenken wat het allemaal kon zijn. Het einde van m’n baan? Of zou het bij een waarschuwing blijven? Omdat ik twee weken geleden vijf minuten te laat op m’n werk was gekomen? Had de roostermaker soms geklaagd over mijn inzetbaarheid? Of was het iets totaal anders. Die ene keer dat ik m’n dienblad niet op de kar had teruggezet? Een rekening van de koffieleverancier?

We arriveerden in zijn kantoor. Een stoel leek al voor me klaar geschoven. Er hing geen elektrische bedrading aan, maar toch voelde ik me niet geheel comfortabel.

Mijn chef trok de stoel tegenover me naar zich toe, maar onderbrak spoedig.

“Thomas,..” Ik klampte me vast voor wat komen zou. Een tergende nanoseconde volgde. Duizenden beelden en evenzo gedachten flitsten door m’n hoofd. De spanning was te snijden.

“Wil je trouwens wat drinken?”

Uitstel van executie dacht ik en vroeg beleefd om een kopje koffie.

Hij boog zich naar de automaat en met een licht geruis schonk het mijn bekertje vol. “Zwart”, beantwoordde ik de vraag die hij nog niet kon stellen.

In de vergetelheid van het concept hitte nam ik een slok. Die was maar van korte duur. De pijn wist ik te verdringen. Die blaar op m’n tong zal nog wel het minst erge zijn van deze dag, hield ik me dapper voor.

Ik staarde ietwat nonchalant om me heen terwijl mijn chef opnieuw plaats nam in zijn fauteuil. Het kon nu niet meer uitblijven. Waarover wilde hij me toch spreken?

“Thomas,..” Begon hij opnieuw. In de verte hoorde ik nog even de echo van mijn geklappertand. Maar al snel klonk het stil van opluchting: “Ik had gewoon even zin om bij te praten. Hoe is het er mee?”

Super! Jumbo!

woensdag 28 oktober 2009

De ontknoping van de slag om Super de Boer maakte me op z’n zachts gezegd nogal zenuwachtig. Een nieuwe supermarkt op mijn dagelijkse looproute. Als dat maar goed gaat, dacht ik. Met kriebels in m’n buik nam ik de proef op de koopsom. Met ’n Super de Boer boodschappentas onder de arm taaide ik af naar de Jumbo en na mijn avontuur kan ik zeggen: Super! Jumbo!

Het begon eigenlijk al bij de grote goudgele entreepoort. Markante letters spelden van ‘J’ tot ‘O’ het logo van mijn nieuwe supermarkt. Het maakte (bijna) een beetje dezelfde blije indruk op me als de ‘golden arches’ van McDonalds. Ik merkte al snel: dit wordt een supermarktuitstapje die ik nooit van m’n leven zal vergeten. Maar echt zeker op dat moment wist ik het natuurlijk niet.

Bij binnenkomst liepen blije huisvrouwen aan mijn rechterhand het gebouw uit met ‘n genoegzame lach op hun gezicht, alsof meneer Jumbo ze net hoogstpersoonlijk een orgasme had bezorgd. Eventjes kreeg ik het doodsbenauwd bij de gedachte. Maar ik liet m’n fantasie me geen strobreed in de weg leggen en liep door.

Mijn eerste voetstappen door het winkelruim voelden warm en vertrouwd. Net als elke andere supermarktvloer. Net als mijn Super de Boer. Maar het was zoveel meer. Ik liet me verrassen door alle varianten koffie en thee. De meest inheemse soorten kwamen op mijn pad langs, van Indian Spices via Minty Morocco tot de Swiss Mountains en op z’n minst alle tussenliggende streken.

Ik kwam in de vakantiesfeer en mijn reis bracht me al snel bij de groenten en fruit waar ik op zoek ging naar verse kruiden. Ondanks vergeefse pogingen lukte het me niet om de basilicum van mijn boodschappenlijstje te ontdekken. De overvloedige groenten- en fruitsoorten hadden de basilicum gedegradeerd tot inferieur onkruidplantje. Maar niet getreurd. De afdelingsknecht – die met zijn aardbeienhoofd een echte expert leek – leidde me vrolijk de weg door zijn bos.

Als een volleerde Willy Wonka toonde hij me zijn chocoladefabriek. Langs de komkommers en kiwi’s, en ver voorbij de meloenen en maïs wees hij me op ‘t uitzicht aan de rechterhand. “Kijkt u eens, meneer.” Net op ‘t moment dat ik de verpakking in mijn mandje wilde stoppen hield de beste man me tegen. “U kunt beter een plantje nemen. Die zijn nog goedkoper ook.” Het assortiment ging van klein naar groot, gelijk de prijs. Streberig, doch subtiel, verleidde hij me naar de grootste. “Die gaan veel langer mee, joh.”

Terwijl ik met deze “hele goede keuze” verder liep, riep de man me nog enkele keren na: “Wel goed water geven hé! En niet in de kou laten staan.” Hij zwaaide me uitbundig na, terwijl ik m’n tocht voortzette. Ik kon de echo van z’n warme stem nog eventjes horen klinken voorbij de honden- en kattenvoer, toen de volgende kennismaking zich alweer had aangeboden.

Achter het bordje ‘vleeswaren’ schuilde een volwaardig vleesimperium. Dat kwam goed uit, want voor mijn lasagneplannen had ik gehakt nodig. Maar ondanks alle soorten en maten leek de ‘gewone’ variant nergens te bekennen. Zelfs de slagersjongen moest even twee keer in zijn ogen wrijven, toen hij samen met een collega onze route uitstippelde.

Ondertussen zag ik mijn kans schoon op een kopje koffie. Die had ik nog niet gehad vandaag. Een ringvormig houten bankje zoals dat vroeger ook op het pleintje in mijn straat stond. Een typisch Nederlandse ‘gezellig’ vinding. Niet dat dat ooit geholpen heeft. Alleen maar ruzies over wie er op het bankje mocht zitten. En dat ik – shitkind dat ik was – vooral lekker binnen moest gaan spelen. Maar hier niks van dat alles. Oude mevrouwtjes zaten gezapig naast me, lekker bij te komen van het boodschappenavontuur met een sappig theetje of een verse bak koffie. Koekje erbij. Het kon allemaal hier. Bij de Jumbo.

Ondertussen had de vleesknul zich weer bij me gemeld met de routekaart richting “gewone gehakt”. Ik achtervolgde hem voor mijn gevoel kilometerslang door zijn vleselijk paradijs. Maar het was een waar genoegen. In gedachte zag ik het wild om me heen lopen en beslopen wij – Rachid, was ik ondertussen achtergekomen, en ik – samen de uitgerekte velden op zoek naar mijn portie rund. En wat voor een.

Nog nauwelijks m’n jachtgeweer opgeborgen in m’n mandje toog ik af naar de kassa. Een mooie blondine groette me aan het einde van een bijster korte rij klanten. Niks geen lastige vragen, niks geen bonuskaart, airmiles, zegeltjes of andersoortige woekerproducten. Zelfs geen fucking Sneeuwwitje en de Zeven Dwergen poppetjes. Niks van dat alles. Alleen een prettige dag. In accentloos Nederlands. Ik wist niet wat ik hoorde.

Opgelucht verliet ik de supermarkt. Mijn nieuwe supermarkt. En nu begreep ik het. Meneer Jumbo zelf ben ik nergens meer tegen gekomen. Mijn griezelige vermoeden had me gelukkig voorgelogen. Maar boven alles was de Jumbo ook gewoon nog ’s heel goedkoop.

Kapsalon

woensdag 14 oktober 2009

“Een kapsalon en een cola.” Het vaste recept. Geen seconde twijfel over mijn keuze. “Meenemen”, voeg ik er nog haastig aan toe. Het is drie uur ’s nachts. In een shoarmatent aan het begin van de Witte de Withstraat zitten drie jongens. Marokkanen. Bij de Turk, verbaas ik me enigszins. En ik sta wat ongeduldig om me heen te turen. Met een biertje achter de kiezen trek ik me weinig aan van wat er om me heen gebeurt. Als m’n bestelling maar snel klaar is.

Vanuit m’n ooghoeken zie ik de jongens de tent verlaten, terwijl ik middelbare schoolherinneringen bij de Photo Play automaat sta op te halen. Trivial Pursuit was nooit aan me besteed. En verrek. Na zes jaar studeren nog steeds niet, verneem ik na drie inworpen.

“Meneer!”, hoor ik achter me. Ik draai me om. De shoarmaverkoper toont me mijn shoarmacreatie alsof het zijn nieuwste meesterwerk betreft. Zijn ogen glunderen van trots. In een aluminiumbakje schijnen patatjes en stukjes shoarma door de gegrilde kaas. Een berg aan sla en tomaten toppen deze Picasso af. In het midden bloedt een kleine hoeveelheid sambal in een plasje knoflooksaus. “Hij is goed zo, toch?”, vraagt de man me.

Enigszins decadent knik ik. Goedkeurend, dat dan weer wel.

De man maakt aanstalte om mijn kapsalon in een aluminiumjasje weg te dekken. Maar dan stopt hij en begint te aarzelen.

“Echt?”, vraagt hij me twijfelachtig. Zoals een vrouw na tien jaar huwelijk haar echtgenoot zeurderig over haar postuur verhoort.

“Perfect”, lieg ik de chef toe.

“Maar die jongen,.. die hier net weg liep. Die Marokkaan. Die zegt: ‘Het is shit.’ Mijn kapsalon,.. niet goed?”

“Man, als ik jouw kapsalon niet goed vond, kwam ik hier toch niet?”, probeer ik liefkozend terug te doen. M’n maag begint te rammelen van deze middernachttrek.

“Ja, maar hij vindt niet goed.”

Ik blaas een plaatsvervangende zucht uit.

“Iek raak daarvan in de stress, weet je.”

“Maar daar moet je niks van aantrekken. Dat is één persoon. Hoeveel mensen zijn hier vanavond tevreden weggelopen? Denk daar maar aan!”

Ik zie de man tellen, maar vergeefs.

“Iek die jongen nog extra vlees geven. Vond ‘ie hem nog niet goed.”

Ik zie m’n eten langzaam koud worden en ik wil hier weg. Mijn pogingen ten spijt, de man vrolijkt nauwelijks op.

“Iek word hier gewoon niet goed van. Die jongen zegt: ‘slechtste kapsalon ooit!’. Ies niet slechtste kapsalon ooit?”

In m’n uiterste poging de man van een zelfmoordpoging te behoeden hoor ik het gemijmer nog even aan. Een half uur later zie ik m’n kans schoon. Ik reken spoedig af en wens de man tot ziens.

Thuisgekomen eet ik een kleffe, koude kapsalon. Hadden die Marokkanen toch gelijk: de slechtste kapsalon ooit.

Gierig

donderdag 8 oktober 2009

“Wat voor pizza is dat?”, wees ik naar een goudbruin stukje met gloedrode stukjes vlees en groene rondjes groente. “Teriyaki”, zei de man op z’n beste New Yorks. Ik keek hem vragend aan. “Stukjes kip en groene pepertjes”, verduidelijkte hij al snel. “Ja!”, riep ik verlekkerd. “Doet u mij maar een stuk.”

Terwijl de beste man zorgvuldig m’n pizzaslice sneed, telde ik m’n winst al zachtjes uit. Elke soort kostte vandaag maar twee euro vijftig. En de Teriyaki, zo las ik op de menukaart aan de wand, was normaal gesproken drie euro vijfentwintig. “En dan heb ik nog zo’n pas voor vijfentwintig procent studentenkorting. Dat is dan uhm,.. twee vijftig gedeeld door vier is,..”, mompelde ik binnensmond.

Maar helaas: “Dat wordt dan twee euro en vijftig cent”, interrumpeerde de pizzaverkoper mijn verbale hersengekraak. Om er bovendien gelijk achterna te volgen: “Wil je er nog wat drinken bij?” “Ha,” dacht ik, “ja, daar wilt ‘ie vast en zeker geld op verdienen.”

Maar ik wist hem af te troeven. Ik toonde snel m’n kortingspas. Die vijfentwintig procent korting moest en zou eraf. Waarop hij stellig afwijzend reageerde: “Zit al korting op, hé.” Verhip, dacht ik. Maar ik was in ieder geval mooi van die vervelende vraag af gekomen. Een drankje erbij. Wat dacht hij wel niet. Dat het geld me op de rug groeit?

Wist ik op dat moment veel hoeveel spijt ik van mijn afwijzing zou krijgen.

Gezien mijn intense verlangen voor dit stuk pizza accepteerde ik de onderhandelingsnederlaag. Tevreden rekende ik een Europese rijksdaalder met de beste man af en vervolgde m’n weg de trein in. Net op tijd, de deuren sloten en ik nestelde me in een vierzits.

Halleluja, bedacht ik me bij de eerste happen. Alsof er een engeltje over m’n tong pieste. Alhoewel,.. een duiveltje wellicht. Ik voelde hem prikken met een vurige mestvork. Het waren de groene pepertjes. “Water! Water!”, wilde ik schreeuwen. Maar de overvolle coupé hield me in. Twee uur lang heb ik mezelf met de mond open tegen het raampje gedrukt. Waarom was ik nou toch weer zo gierig geweest?

Betrapt

vrijdag 28 augustus 2009

Ergens op weg naar Amsterdam strompelt een man de coupé binnen. Hij duikt in een verlaten vierzits en een jonge vrouw, half struikelend over mijn tas in het gangpad, schuift snel aan. Bijna een minuut lang kijken ze elkaar zwijgzaam, maar lieflijk, toe. Totdat de vrouw opmerkt dat ze in een stiltecoupé zijn terecht gekomen. “Kijk: ’stilte’,” wijst ze naar het raam en zet enthousiast – en luidruchtig bovendien – een gesprek voort.

Haar ogen verraden verliefdheid. Mooie losse blonde lokken walsen met de bewegingen die haar hoofd maakt. Het felgekleurde T-shirt en hippie spijkerbroek met bloemetjespatroon getuigen een gelukkig persoon.

De man, iets ouder dan de dame naast zich, is gekleed in een tweedelig pak met lichte krijtstreep. Een nette Italiaanse snede; ware het niet dat zijn iele lichaam het pak tot zwerverskostuum degradeert. Een verrot bovengebit valt paardachtig over zijn doorrookte ondertanden.

Ik verwonder me over de combinatie van deze man en vrouw. Maar de liefde kent geen conventies. Dat blijkt des te meer als enkele stations verderop een student de trein instapt. Hij herkent de man tegenover zich als zijn hoogleraar en mengt zich naadloos in hun gesprek.

Opeens is de omgang tussen de man en vrouw als nooit geweest. Onopmerkzaam langzaam vergroten ze hun afstand. Handjes hebben de toenadering van elkanders schoot verloren en oogcontact is niet meer. Alle studieonderwerpen passeren de revue: slechte roosters, gebrekkige computerlokalen en het afstuderen.

Op dat moment wordt de relatie tussen de man en vrouw voor mij, de stille observant, pas duidelijk. Over twee maanden is het meisje klaar met haar studie, vertelt ze trots.

“Nou ja, dat zullen we nog wel zien”, grinnikt de scriptiebegeleider naast haar schijnheilig toe.

Dromen

maandag 6 juli 2009

“Mister. Mister. I want trainee become Microsoft,” schiet het hotelhulpje me knullig aan. De Egyptische jongen, gekleed in het zwartgrijs Intercontinental uniform, ziet zijn kans schoon. Hij kijkt me hoopvol en met vertrouwen in de ogen. In mijn beste gebroken Engels probeer ik uit te leggen dat ik niet voor zijn droomwerkgever werk. Met m’n vingers wijzend toon ik hem het verschil tussen de gele persbadges, en de blauwe voor de Microsoft-werknemers. “Look for blue. Talk to them and tell them about your dreams,” probeer ik Obamiaans over te brengen.

De verschillen zijn hier tijdens de Imagine Cup wereldsgroot. Het contrast is immens. Aan de ene kant de jonge talenten die hier met al hun know-how en presentatieskills innovaties aan de wereld tonen. Aan de andere kant de leeftijdsgenoten die in het hotel aan het werk zijn. De verschillende maaltijdgangen bemannen, Nespresso’s schenken, traptreden poetsen of een willekeurig stopcontact afstoffen. Het is ongelooflijk hoe dienstbaar, maar ook nederig, het personeel zich opstelt.

Bill Gates-opvolger Ray Ozzie had het in zijn openingsspeech over dromen. Succes begint met een droom. “And if you don’t have one, get one,” preekte hij de deelnemers. Veel van deze hoteljochies hebben ook een droom. Maar misschien blijft het daar ook bij.

Medeplichtig

vrijdag 17 april 2009

Het is ver na middernacht als ik de voordeur achter me dichttrek en opeens middenin de binnenstad van Utrecht sta. Luttele meters van de stoep vandaan beweegt een zwerver zich wankelend over de rijbaan. In de ene hand een fles Bacardi, aan de andere hand een spiksplinternieuwe fiets.

Met een half vermogen observeer ik kort, maar aandachtig.

Grauwe doorgetrokken wenkbrauwen overschaduwen z’n oogleden volledig. Een onverzorgde baardgroei bedekt een groot deel van het gezicht. Maar de rimpels verraden zijn bejaarde leeftijd. Een blik in z’n ogen vertelt een heel levensverhaal. Wanneer mijn ogen langzaam verder naar beneden glijden kom ik bij een titanium prothesebeen uit. “Van dat spul waar ze mee naar de maan vliegen,” zal hij ongetwijfeld ooit tegen z’n vrienden gegrapt hebben.

Maar die vrienden zijn nu in geen velden of wegen te bekennen. De man is duidelijk eenzaam en zwerft rond met zijn mobiele fietsenhandel. Aan zijn met olie bevlekte handen te zien komt ook deze fiets vers van de ‘toonbank’.

Een passerende studente op straat toont interesse. “Wat moet die kosten?” Twintig euro vraagt de zwerver stellig en beweert trots: “Een schijntje. Zelfs het licht werkt.” Van vijf tot vijftien vliegen de bedragen vervolgens om m’n oren. Inmiddels is er een nieuwe student bij de handel betrokken. Vers uit het nachtleven gekropen, klaar voor de ochtend en ogenschijnlijk meer behoeftig. Maar volgens de wetten van de marktwerking zijn het alleen de bedragen die tellen. Zo ook hier.

En opeens ontpopt de tot voor kort zo eenzame zwerver zich tot het middelpunt van de aandacht.

Uiteindelijk overwint het meisje de spontane straatbieding. Acht euro wordt er handje contantje afgerekend en de zwerver gaat er euforisch met de winst vandoor. Een steegje verderop gaat de man weer verder met z’n werk. Een nieuwe fiets, nieuwe kansen. Ik laat hem. De cyclus wordt opnieuw opgestart. Dit is je reinste Hollandse cultuur. Prachtig. Ik loop weg met een tevreden glimlach en vervolg opgewekt m’n route naar huis.

Stoer

vrijdag 27 maart 2009

Als bij Utrecht Centraal de schuifdeur van de coupé open gaat treedt er een meur van haastig opgerookte nicotine binnen. Het neemt plaats in de stoel schuin tegenover me. Het mannelijke voorval oogt zelfverzekerd met z’n leren zwarte jack, strakke jeans en spatvrije witte sneakers. De iets te luide beats uit z’n iPod laten hem onberoerd. In de schaduw van z’n Hugo Boss petje staren twee ogen met een ijzeren blik vooruit.

Ik heb een hekel aan afstandelijke treinreizigers. Vooral als ze nog stoer doen ook.

Ik observeer aandachtig. Er zit iets ondefinieerbaars rechts onder z’n lip; ik kan m’n ogen er nauwelijks vanaf houden. Na een paar minuten komt eindelijk de verlossing: “Heb ik iets van je aan of zo?”, terwijl de trein langzaam in beweging komt.

“Er zit iets op je kin.”

Met z’n vinger wrijft hij een vies kloddertje tussen z’n half gepuberde sikje vandaan. Met het schaamrood op de kaken dankt hij voor m’n opmerkzaamheid. Een kleine glimlach op m’n gezicht kan ik niet onderdrukken. Heel eventjes voel ik me stoer.

Mon Cherie (Dag Esmee)

maandag 19 januari 2009

Ergens in de meest prille zomerdagen van vorig jaar kruisten onze ogen elkaars wegen voor het eerst. Om de hoek van de cornflakes zag ik haar tobben over een der grotere keuzes in het leven: wit, bruin of meergranen. Haar zwoele blik verleidde mij die donderdagmiddag in haar richting. Daar bij de broodafdeling, met stip het meest romantische hoekje van onze supermarkt, bekeken we elkaar zwijgzaam van top tot teen.

Sindsdien kom ik haar regelmatig tegen. Binnen een paar maanden is er een chemie tussen ons ontstaan, die alsmaar groter is geworden. En nog maar één keer tot nu toe heb ik – angsthaast dat ik ben – de stoute schoenen durven aantrekken. Tijdens de vrijdagmiddagspits wees ik haar op de snellere kassa van Priscilla, links nummer drie. Met een oogverblindende lach bedankte ze me. Het deed me meer dan honderdduizend woorden.

Dat was maar goed ook. Ze spreekt namelijk niet al te best Nederlands; haar accent doet meer denken aan een ver Oost Europees land. Een Slavische schoonheid wellicht, ver van haar familie geïsoleerd. Of misschien een Zigeunermeisje. Zou ze hier soms studeren?

We hebben precies hetzelfde ritme. Elke middag zo rond een uurtje of twee, als ik uit m’n bed kom, en zij weet ik veel waar vandaan zien we elkaar. Soms stel ik m’n bezoekje aan de supermarkt expres even uit, als ik te vroeg wakker ben. Gewoon om de kans dat ik haar tegen kom te vergroten. Mijn boodschappen zijn een secundaire drijfveer geworden voor een bezoekje aan de supermarkt. Voldaan is het pas als ik haar weer gezien heb.

Tot vandaag. Geen dag zal meer hetzelfde zijn. Ik zal op zoek moeten naar nieuwe liefde, en erger nog: een andere supermarkt.

Terwijl ik m’n winkelmandje nog aan het uitzoeken ben passeert ze me van rechts. Haar uitdagende blik lonkt m’n hoofd mee met de richting van haar charmante looppas. Links de bocht om bij de uitgang. Ik staar nog even na terwijl ze de straat oversteekt. Had ik dat maar niet gedaan.

Achter het kruispunt voor onze supermarkt schuilt het meest onzedelijke hoekje van de stad. Een onguur rijtje met kroegen waar oude havenmannetjes zich beschenken en sleeën van dubieuze auto’s met geblindeerde ramen flaneren. Boven de entreepoort van het barretje op de hoek van de straat schreeuwt een fel rood neonlicht om aandacht: Mon Cherie. Gedesillusioneerd schud ik m’n hoofd terwijl ze de gespierde uitsmijter groet en naar binnen stapt. Ik wend m’n hoofd een andere kant op en verzucht: waarom ben je toch dit wat je bent?